Programma

11:00 uur 11:30 uur Opening door Andreas Blühm

“Onze presentatie is experimenteler, gedurfder”

Andreas Bluhm, foto: Marij Kloosterhof Andreas Bluhm, foto: Marij Kloosterhof

De Dag van de Groninger Geschiedenis 2016 wordt geopend door Andreas Blühm, directeur van het Groninger Museum. Harm van den Berg sprak met hem.

Grenzen, ach ja, ze zijn een gegeven en geografisch valt er niet aan te ontkomen. Of ze eigenlijk belangrijk zijn?

Andreas Blühm, sinds vorig najaar ook bijzonder hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, kan er niet zoveel mee. In zijn werkkamer boven in het museum heeft hij een fraai uitzicht over een flink deel van de stad en beneden hem stroomt het Verbindingskanaal als een slotgracht langs de museumzalen. “Veel grenzen vervagen, op andere plekken ontstaan tijdelijk weer nieuwe. Ze zijn vaak een weerspiegeling van wat er aan de hand is in de wereld”.

Grenzen is het thema van de 30e Dag van de Groninger Geschiedenis en Blühm zal er bij die gelegenheid ook iets over zeggen. Ons gesprek mag als voorschot worden beschouwd. We bespreken het thema, maar vragen ook naar de betekenis van de regionale, lokale geschiedenis. Blühm is immers ook historicus. Hoe presenteert hij de regionale historie en hoeveel ruimte zou hij die willen geven in zijn museum?

“Voor mij, op deze plaats, hebben grenzen niet een eenduidige betekenis. Onze collecties zwerven over de wereld, we richten ons op moderne jonge kunstenaars, van Groningen tot China, we voeren gesprekken over vergaande internationale samenwerking”, zegt Blühm. Zijn glimlach geeft aan: Het is allemaal dus nogal relatief. Hij begrijpt de mensen niet die om het hardst roepen dat de grenzen dicht moeten: “Dat is niet alleen lastig, ook erg onverstandig”. De wisselwerking is immers niet uitsluitend negatief, integendeel, weet Blühm. Mensen, kunstenaars, beïnvloeden elkaar en het publiek op een positieve wijze, ontroeren, verbazen, brengen ons op ideeën. “In de VS hebben veel mensen zich kunnen vergapen aan de creaties van modekunstenaar Iris van Herpen, onze collectie van haar werk was onlangs te zien in Atlanta en reisde daarna langs zes andere steden in Noord-Amerika. Onze Veendorp-collectie met schilderijen was dichterbij huis te zien in Duitse steden als Lübeck en Würzburg en daarna in Freiburg en Aken”.

Blühm denkt in dit verband aan de zeer reislustige geleerde Rudolf Agricola uit Baflo die in de vijftiende eeuw studeerde in Keulen, Erfurt, Leuven, Pavia en Ferrara en zich in het Latijn overal kon redden, weliswaar in de hogere kringen, want het gewone volk sprak die taal niet. “Hij werd niet gehinderd door grenzen, ging te paard of lopend overal heen, maakte contact. En keerde weer terug naar Groningen. Dat internationale gevoel zijn we misschien een beetje kwijt en al hebben we met het Engels wel een internationale voertaal, het is toch anders”.

Over Engeland gesproken, Blühm heeft in de afgelopen jaren met collega’s in Frankrijk en Engeland gesproken over vergaande samenwerking. “En nu, door de Brexit, moet ik nadenken of we ons niet beter kunnen richten op de Schotten. Een bijzondere ervaring”, zegt hij.

Blühm weet dat het Groninger Museum zich onderscheidt van andere regionale musea: de internationale collectie is groter en van meer belang. Daarmee komen we als vanzelf op een grote expositie uit 2014: De koning van Groningen, Jan Albert Sichterman. De internationale collectie van deze zeventiende-eeuwse koopman van de Verenigde Oost-Indische Compagnie trok veel bekijks. Opmerkelijk waren de dwarsverbanden tot ver buiten de grenzen. Vergelijkbaar is het effect dat de expositie over Hendrik Nicolaas Werkman had, ook daar was de begrenzing van de regio, het lokale eigenlijk helemaal weg. De vlak voor het eind van de oorlog vermoorde Groningse drukker is van internationale betekenis, ruim honderdduizend mensen kwamen zijn werken bekijken. Andere voorbeelden. “David Bowie en de Groningse borgen, ze zijn voor mij allebei belangrijk. Van een andere orde, dat wel, maar het is ook onze missie” , zegt Blühm en om het duidelijk te maken, pakt hij uit de kast achter hem twee even zware boekwerken, de catalogus van de Bowie-expo en een lijvige studie bij de kleinere tentoonstelling over de borgenkaart van Theodorus Beckeringh.

Misschien klopt het inderdaad, meent hij, dat conservator Egge Knol, verantwoordelijk voor de verzameling regionale geschiedenis, het sinds zijn komst drukker heeft gekregen. “Ik zou toch graag meer willen doen, de collectie ook ruimer willen presenteren. Daar gaan we volgend jaar eens een serieus gesprek over voeren”, kondigt Blühm aan. En voegt er direct aan toe dat het museum ook niet alles binnen de eigen muren hoeft te doen. “We lenen al veel uit, hebben een heel goede samenwerking met de Groninger Archieven en het Noordelijk Scheepvaartmuseum, daartoe hebben we zelfs een manifest ondertekend. Er zijn goede contacten, ook internationaal, op het gebied van de archeologie, het Friese kustgebied houdt niet op bij de provinciegrens”. De wijze van presenteren in Groningen is anders dan in de meeste Duitse musea: gedurfder, experimenteler.

Op het programma voor volgend jaar staat een grote tentoonstelling met als titel: De glans van de Ommelander adel. Voor deze tentoonstelling, verspreid over acht zalen, zal het Groninger Museum letterlijk alles uit de kasten halen, want het museum bewaart al heel lang de inventarissen van diverse borgen. Wellicht zal een overzicht in de Hermitage van de schatten van de Russische tsarenfamilies internationaal meer aandacht trekken, zo schat ook Blühm wel in, maar dan nog blijft het een uitdaging om duidelijk te maken dat de ‘tsaren’ van Groningen belangrijk waren voor de rest van het land. Ook wordt gewerkt aan een expositie over Aletta Jacobs en haar betekenis voor de vrouwenbeweging, dit in het kader van 100 jaar vrouwenkiesrecht in 2019.

Blühm kent zijn plaats, maar geen valse bescheidenheid : “Dit museum is de belangrijkste culturele destinatie op de lijn Amsterdam-Bremen/Hamburg”.

Terug naar het programma