Esperanto is een internationale kunsttaal ontworpen door Lejzer Zamenhof, die in 1887 onder het pseudoniem Dr. Esperanto - "iemand die hoopt" - het eerste boekje over de taal publiceerde.
Van dit pseudoniem is ook de naam van de taal afkomstig. Esperanto is van alle internationale hulptalen ongetwijfeld de succesvolste.
De taal is speciaal ontworpen om mensen uit verschillende culturen met elkaar te laten communiceren. Esperanto wordt al ruim 120 jaar praktisch toegepast en heeft in die tijd een eigen literatuur en een eigen identiteit kunnen ontwikkelen, en is van een 'project' een volwaardige taal geworden, waarin alle nuances van het menselijk denken kunnen worden uitgedrukt.
Het Esperanto behoort niet toe aan een bepaald land of volk, al zijn er wel mensen die het Esperanto als moedertaal hebben. Daardoor worden niet enkele culturen bevoordeeld ten koste van alle andere, integendeel, bedreigde talen kunnen door het Esperanto beschermd worden en dus niet verdrongen door dominante nationale talen.
Het gevolg hiervan is dat men met elkaar kan spreken op een voet van gelijkheid aangezien het voor ieder een aangeleerde taal is. Het belangrijkste doel van het Esperanto is het vervullen van een brugfunctie tussen verschillende culturen.
Esperanto heeft een eenvoudige grammatica met grote regelmatigheid. Met enkele basiselementen kan men een groot aantal nieuwe woorden vormen. Hierdoor en dankzij het internationale karakter van de woordenschat is Esperanto gemakkelijker te leren dan veel andere talen.
Esperanto heeft 23 medeklinkers en 5 klinkers. De klemtoon ligt altijd op de voorlaatste lettergreep. De laatste -o bij zelfstandige naamwoorden mag in de poëzie worden vervangen door een apostrof. De plaats van de klemtoon verandert daardoor niet.
De grammatica van Esperanto is zeer regelmatig. Woorden worden gevormd uit woordstammen en regelmatige voor- en achtervoegsels. Ook samenstellingen komen voor, zoals in het Nederlands.